Partijen zijn in januari 1995 in Somalië gehuwd en hebben een minderjarig kind waarvan onduidelijk is of deze nog in leven is. De vrouw woont sinds 2008 onafgebroken in Nederland en heeft een verblijfsvergunning; zij wil zich hier blijvend vestigen. De man verblijft sinds 2007 in Nederland, heeft een verblijfsvergunning en wil in de toekomst de Nederlandse nationaliteit verkrijgen, maar overweegt ook terug te keren naar Somalië zodra de situatie daar veilig is.
De rechtbank stelt vast dat de vrouw geen werkelijke maatschappelijke band meer heeft met Somalië, waardoor het gemeenschappelijk nationaal recht ontbreekt en Nederlands recht van toepassing is op het echtscheidingsverzoek. De man verzet zich tegen de echtscheiding, maar de rechtbank oordeelt dat het huwelijk duurzaam is ontwricht omdat partijen ruim 2,5 jaar niet samenwonen en de vrouw geen contact wenst.
De rechtbank kent het huurrecht van de echtelijke woning toe aan de man en bevestigt dat Somalisch recht van toepassing is op de verdeling van de gemeenschappelijke goederen. Partijen hebben overeenstemming bereikt dat alle gemeenschappelijke goederen aan de man worden toegekend en dat hij alle schulden draagt. De proceskosten worden gecompenseerd zodat iedere partij haar eigen kosten draagt.