Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Ontstaan en loop van het geding
- een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB) over het jaar 2001 (aanslagnummer [nummer].H.17), met boetebeschikking van ƒ 100.139 en heffingsrente van ƒ 33.891;
- een navorderingsaanslag IB over het jaar 2002 (aanslagnummer [nummer].H.27), met boetebeschikking van € 46.531 en heffingsrente van € 13.128;
- een aanslag IB over het jaar 2003 (aanslagnummer [nummer].H.36), met boetebeschikking van € 49.218 en heffingsrente van € 14.990;
- een aanslag IB over het jaar 2004 (aanslagnummer [nummer].H.46), met boetebeschikking van € 41.313 en heffingsrente van € 14.990;
- een aanslag IB over het jaar 2005 (aanslagnummer [nummer].H.56), met boetebeschikking van € 41.647 en heffingsrente van € 5.819;
- een aanslag IB over het jaar 2006 (aanslagnummer [nummer].H.66), met boetebeschikking van € 43.253 en heffingsrente van € 6.811;
- een aanslag IB over het jaar 2007 (aanslagnummer [nummer].H.76), met boetebeschikking van € 35.863 en heffingsrente van € 6.154.
2.Feiten
3.Karakter voorlopige voorziening
4.Gronden
5.Proceskosten
6.Beslissing
- verklaart het verzoek van belanghebbende niet-ontvankelijk voor zover het ziet op de aanslagen IB over de jaren 1999 en 2000;
- wijst het verzoek van belanghebbende voor het overige af;