Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende betwist de vastgestelde WOZ-waarde van zijn onroerende zaak, bestaande uit een villa met bijbehorend perceel, waarbij het geschil zich toespitst op de waardering van een deel van het perceel dat door de heffingsambtenaar als bouwterrein is aangemerkt. Belanghebbende stelt dat dit deel grond bij de woning betreft en pleit voor een lagere grondprijs.
De heffingsambtenaar heeft onweersproken gesteld dat op het betreffende perceel een bouwbestemming rust, en heeft een taxatierapport overgelegd waarin de waarde is vastgesteld op basis van vergelijkingsobjecten en een grondstaffel voor bouwterreinen. De rechtbank gaat ervan uit dat de waarde van de woning juist is vastgesteld en richt zich op de waardering van het bouwterrein.
De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar terecht is uitgegaan van een bouwterreinwaardering, omdat de bouwbestemming op het perceel onbetwist is. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt, omdat de vergelijkingsobjecten niet als rechtens gelijke gevallen kunnen worden beschouwd, aangezien op hun percelen geen bouwbestemming rust.
Gelet op deze overwegingen verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en bevestigt zij de vastgestelde WOZ-waarde en de daarop gebaseerde aanslag onroerende-zaakbelastingen. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde en aanslag wordt ongegrond verklaard.