ECLI:NL:RBZWB:2013:7413

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 september 2013
Publicatiedatum
10 oktober 2013
Zaaknummer
C/12/87549 / FA RK 13-321
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:247 BWArt. 1:253a BWArt. 1:377a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verzoek tot omgangsregeling tussen grootmoeder en minderjarigen

De man verzocht de rechtbank om een omgangsregeling vast te stellen tussen de grootmoeder van vaderszijde en de minderjarige kinderen, waarbij de kinderen regelmatig bij de grootmoeder zouden verblijven. De rechtbank oordeelde dat dit verzoek niet-ontvankelijk is omdat de man niet heeft aangetoond dat het geschil betrekking heeft op de gezamenlijke gezagsuitoefening van de ouders, zoals vereist op grond van artikel 1:253a BW.

Partijen waren gehuwd geweest en hebben gezamenlijk gezag over de minderjarigen. De kinderen verblijven in een pleeggezin, maar dit maakt het verzoek niet ontvankelijk. De rechtbank benadrukte dat voor omgangsregelingen met derden, zoals grootouders, artikel 1:377a BW de juiste rechtsingang is. Dit artikel stelt een zwaardere toetsingsmaatstaf, namelijk dat er sprake moet zijn van een nauwe persoonlijke betrekking tussen de minderjarigen en de derde.

De rechtbank concludeerde dat het niet de bedoeling van de wetgever is dat via artikel 1:253a BW de strengere eisen van artikel 1:377a BW worden omzeild. Daarom werd het verzoek van de man afgewezen en werd de proceskostenverdeling zo vastgesteld dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: De man is niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling tussen grootmoeder vaderszijde en de minderjarigen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Civiel recht
Zittingsplaats: Middelburg
zaak/reknr: C/12/87549 / FA RK 13-321
beschikking d.d. 18 september 2013
[naam man](hierna: de man),
wonende te [woonplaats],
verzoeker,
advocaat: mr. C.L. de Koeijer te Terneuzen,
tegen:
[de vrouw](hierna: de vrouw),
wonende te [woonplaats],
verweerster,
advocaat: mr. F.J.I. van den Branden te Terneuzen.

1.Het procesverloop

1.1
De rechtbank oordeelt op grond van het navolgend stuk:
- het verzoekschrift ex artikel 1:253a BW;
- het op 2 augustus 2013 door mr. Van den Branden ingediende F-formulier, met een aanvullend stuk;
- de ter zitting van 2 augustus 2013 door mr. Van den Branden overgelegde notities.
1.2
Het verzoek is behandeld ter zitting van 2 augustus 2013. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. Tevens was aanwezig mevrouw C. van Tuijl namens de Raad voor de Kinderbescherming.

2.De feiten

2.1
Partijen zijn gehuwd geweest. Bij beschikking van de rechtbank [plaatsnaam] d.d. 17 december 2009 is in het huwelijk van partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 8 januari 2010 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente[plaatsnaam].
2.2
Uit het huwelijk van partijen zijn -onder meer- de navolgende minderjarige kinderen geboren:
- [minderjarige 1], geboren [in] 2004;
-[minderjarige 2], geboren [in] 2005.
2.3
De man heeft de [minderjarige 1], die voor het huwelijk van partijen is geboren, erkend. Partijen oefenen over beide minderjarigen het gezamenlijk gezag uit.
3. Het geschil
3.1
De man verzoekt een contactregeling vast te stellen tussen de minderjarigen en grootmoeder vaderszijde, waarbij de minderjarigen één weekeinde per zes weken, alsmede gedurende vijftien dagen verspreid over de schoolvakanties van de minderjarigen bij hun grootmoeder vaderszijde verblijven, een en ander in overleg met de pleegouders te bepalen, althans een beslissing te nemen in het geschil tussen partijen zoals de rechtbank billijk en in het belang van de minderjarigen voorkomt.
3.2
Namens de vrouw is ter zitting verweer gevoerd tegen het verzoek van de man. De vrouw verzoekt primair de man in zijn verzoek niet-ontvankelijk te verklaren, subsidiair het verzoek van de man af te wijzen.
3.3
Op de standpunten van partijen wordt, voor zover voor de beoordeling van het verzoek van belang, hierna ingegaan.

4.De beoordeling

4.1
De man verzoekt een omgangsregeling tussen grootmoeder vaderszijde en de minderjarigen vast te stellen op grond van artikel 1:253a lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW).
4.2
Ingevolge voornoemd artikel kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt alsdan een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
4.3
Vast staat dat er tussen partijen een geschil bestaat omtrent de vaststelling van een omgangsregeling tussen grootmoeder vaderszijde en de minderjarigen. De man wenst immers een (vastomlijnde) regeling tussen grootmoeder vaderszijde en de minderjarigen vastgelegd te zien, de vrouw daarentegen niet. Beoordeeld dient evenwel te worden of dit geschil in casu ook de gezamenlijke gezagsuitoefening van de ouders raakt.
Ingevolge artikel 1:247 lid 1 BW Pro omvat het ouderlijk gezag de plicht en het recht van de ouder zijn minderjarige kinderen te verzorgen en op te voeden. Onder verzorging en opvoeding worden blijkens lid 2 van voornoemd artikel mede verstaan de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn en de veiligheid van de kinderen alsmede het bevorderen van de ontwikkeling van hun persoonlijkheid. Ingevolge lid 3 van genoemd artikel omvat het ouderlijk gezag voorts mede de verplichting van de ouder om de ontwikkeling van de banden van zijn kinderen met de andere ouder te bevorderen. Hoewel denkbaar is dat onder bijzondere omstandigheden een geschil als het onderhavige betrekking kan hebben op de gezamenlijke gezagsuitoefening van ouders, is de rechtbank in dit geval van oordeel dat door de man niet is aangetoond dat onderhavig geschil op enigerlei wijze de hiervoor genoemde rechten en/of plichten van ouders raakt. Het enkele feit dat de minderjarigen in een pleeggezin verblijven en dat pleegouders zich in dit geschil neutraal willen opstellen, zoals de man aanvoert, is daartoe onvoldoende. Daar komt bij dat voor een geval als onderhavige, waarbij het gaat om de vaststelling van een omgangsregeling tussen de minderjarigen en een derde, niet zijnde de ouder van de minderjarigen, de wetgever de rechtsingang van 1:377a BW in het leven heeft geroepen, op grond waarvan grootmoeder vaderszijde zelf een verzoek tot vaststelling van de omgangsregeling tussen haar en de minderjarigen had kunnen indienen. Naar het oordeel van de rechtbank kan het niet de bedoeling van de wetgever zijn geweest dat in dit geval, door gebruikmaking van de betrekkelijk laagdrempelige rechtsingang van artikel 1:253a BW, de aanmerkelijk zwaardere toetsingsmaatstaf van artikel 1:377a BW, namelijk dat er aantoonbaar sprake dient te zijn van een ‘nauwe persoonlijke betrekking’ tussen de minderjarigen en degene die de omgang met de minderjarigen wenst, wordt omzeild. Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank de man niet-ontvankelijk verklaren in zijn verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling tussen grootmoeder vaderszijde en de minderjarigen.
4.4
De rechtbank zal, gelet op de aard van de procedure, de proceskosten tussen partijen compenseren zodat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De rechtbank:
verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling tussen grootmoeder vaderszijde en de [minderjarige 1], geboren [in] 2004, en[minderjarige 2], geboren [in]2005;
compenseert de proceskosten zo dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. I. Dijkman in tegenwoordigheid van de griffier mr. K.J.M. Lavrijssen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 18 september 2013.

Voetnoten

1.Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, kan – uitsluitend door een advocaat – hoger beroep tegen deze beschikking worden ingesteld, zulks door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, en door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.