Belanghebbende, een BV, kreeg een verzuimboete van € 2.460 opgelegd wegens het niet tijdig indienen van de aangifte vennootschapsbelasting over 2010. De rechtbank stelt vast dat de aangifte na meerdere herinneringen en aanmaningen te laat werd ingediend, waardoor de formele voorwaarden voor boeteoplegging zijn vervuld.
De rechtbank toetst vervolgens de proportionaliteit van de boete. Hoewel de beleidsregels van de Belastingdienst standaard een boete van 50% van de maximale boete voorschrijven voor vennootschapsbelasting, oordeelt de rechtbank dat de rechtsvorm van de onderneming onvoldoende rechtvaardiging biedt voor een hogere boete dan die voor een eenmanszaak. De onderneming vertoont qua aard geen wezenlijk verschil met een eenmansbedrijf en er is geen sprake van recidive of andere verzwarende omstandigheden.
Daarom acht de rechtbank de opgelegde boete van € 2.460 disproportioneel hoog en matigt deze tot € 500, passend bij het niet tijdig doen van aangifte. Tevens wordt het betaalde griffierecht van € 318 aan belanghebbende vergoed. De uitspraak is gedaan door rechter D. Hund op 24 oktober 2013.