Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende won een prijs van €125.000 in een Duitse loterij en deed aangifte kansspelbelasting in Nederland. De inspecteur legde kansspelbelasting van €36.211 op, waartegen belanghebbende bezwaar maakte.
De rechtbank onderzocht of de heffing in strijd was met artikelen 56 en 63 van het VwEU en artikel 1 van Pro het Eerste Protocol van het EVRM, en of de prijs vrijgesteld kon zijn op grond van artikel 52 van Pro het Besluit voorkoming dubbele belasting. Belanghebbende stelde dat hij ongelijk werd behandeld ten opzichte van prijswinnaars van de Nederlandse Staatsloterij, die geen belasting betalen omdat de loterij deze afdracht voor haar rekening neemt.
De rechtbank oordeelde dat ook prijswinnaars van de Staatsloterij belastingplichtig zijn, maar dat de Staatsloterij de belasting betaalt, zodat er geen ongelijke behandeling is. De heffing vormt geen disproportionele last en is niet in strijd met het EVRM. De Duitse wetgeving legt de belastingplicht bij de organisator, niet bij de prijswinnaar, waardoor geen vergelijkbare buitenlandse belasting is geheven en geen vrijstelling op grond van het Besluit voorkoming dubbele belasting van toepassing is.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de heffing van kansspelbelasting over de Duitse loterijprijs wordt ongegrond verklaard.