Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Ontstaan en loop van het geding.
8 december 2012 voor respectievelijk de jaren 2008 en 2007 navorderingsaanslagen vennootschapsbelasting opgelegd.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende maakte bezwaar tegen navorderingsaanslagen vennootschapsbelasting over de jaren 2007 en 2008. De inspecteur stelde vormverzuimen vast en vroeg om een machtiging, waarna een hoorgesprek plaatsvond. Ondanks verzoeken deed de inspecteur geen uitspraak op bezwaar binnen de wettelijke termijn.
De rechtbank beoordeelde het beroep tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar. Het beroep tegen de aanslag 2007 werd niet-ontvankelijk verklaard omdat de ingebrekestelling prematuur was. Het beroep tegen de aanslag 2008 werd gegrond verklaard omdat de inspecteur niet tijdig uitspraak had gedaan, geen ontvangstbevestiging had gestuurd en geen verlenging had meegedeeld.
De rechtbank stelde vast dat de inspecteur een dwangsom van €1.260 had verbeurd en legde een dwangsom van €50 per dag op voor het niet binnen twee weken beslissen na de uitspraak, met een maximum van €7.500. Tevens werd de inspecteur veroordeeld in de proceskosten en het griffierecht van belanghebbende. De rechtbank besloot nog niet over het inhoudelijke bezwaar te oordelen.
Uitkomst: De inspecteur verbeurt een dwangsom wegens niet tijdig beslissen op bezwaar navorderingsaanslag 2008 en moet binnen twee weken alsnog beslissen.