Belanghebbende is bestuurder en aandeelhouder van een BV die naheffingsaanslagen loonheffing en omzetbelasting niet heeft betaald. De ontvanger stelde belanghebbende aansprakelijk voor een bedrag van €239.262. Belanghebbende voerde aan dat tijdig melding van betalingsonmacht was gedaan en dat het wettelijk vermoeden van kennelijk onbehoorlijk bestuur was weerlegd.
De rechtbank stelde vast dat de ontvanger niet alle relevante stukken, waaronder een essentiële aanslag, had overgelegd, waardoor de uiterste meldingsdatums niet volledig konden worden vastgesteld. Op basis van het informatierecht en het boekenonderzoek was de inspecteur en daarmee de ontvanger al vóór de uiterste meldingsdatums op de hoogte van betalingsproblemen. Dit leidde tot de conclusie dat voor twee van de aanslagen tijdig melding was gedaan, maar voor één aanslag niet.
Voor de aanslagen waarvoor tijdig melding was gedaan, kon de ontvanger niet aannemelijk maken dat het niet betalen het gevolg was van kennelijk onbehoorlijk bestuur, zodat de aansprakelijkstelling daarvoor werd vernietigd. Voor de aanslag waarvoor niet tijdig melding was gedaan, werd het wettelijk vermoeden van kennelijk onbehoorlijk bestuur niet ontzenuwd, waardoor de aansprakelijkstelling daarvoor in stand bleef.
De rechtbank beperkte de aansprakelijkheid tot €7.126 en veroordeelde de ontvanger in de proceskosten van belanghebbende.