ECLI:NL:RBZWB:2013:BY9807
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - meervoudig
- Van den Heuvel
- Dekker
- Prenger
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak verdachte wegens onvoldoende wettig bewijs ontuchtige handelingen
De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 29 januari 2013 de strafzaak tegen verdachte die werd verdacht van ontucht met twee minderjarige meisjes. De officier van justitie baseerde zich voornamelijk op de aangiftes van de aangeefsters en enkele getuigenverklaringen, terwijl de verdediging betoogde dat er slechts één zelfstandig bewijsmiddel per feit was, wat onvoldoende is volgens artikel 342 lid 2 Sv Pro.
De rechtbank concludeerde dat de verklaringen van de aangeefsters weliswaar betrouwbaar werden geacht door een deskundige, maar dat het deskundigenrapport zelf geen zelfstandig bewijsmiddel vormde. De overige getuigenverklaringen waren gebaseerd op informatie uit dezelfde bron en konden daarom niet als steunbewijs dienen. Ook het bepleiten van schakelbewijs door de officier van justitie faalde omdat de aangiften zelf niet door aanvullend bewijs werden ondersteund.
Gezien het ontbreken van voldoende zelfstandig bewijs achtte de rechtbank de tenlastelegging niet wettig bewezen en sprak verdachte vrij van beide feiten. De benadeelde partijen werden niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen tot schadevergoeding, die zij bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen.
Het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis werd opgeheven. De rechtbank wees de kosten van verdachte toe aan de benadeelde partijen tot op heden nihil. De uitspraak werd gedaan door mr. Van den Heuvel, voorzitter, mr. Dekker en mr. Prenger.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens ontbreken van wettig bewijs voor ontuchtige handelingen.