ECLI:NL:RBZWB:2013:CA1519

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
5 maart 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
12/4562
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • D. Hund
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 23 Wet WOZArtikel 1 onderdeel a Besluit proceskosten bestuursrechtAfdeling 8.2.6 Algemene wet bestuursrechtArtikel 27d Algemene wet inzake rijksbelastingen
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen onjuiste WOZ-beschikking en proceskostenvergoeding afgewezen

Belanghebbende maakte bezwaar tegen een WOZ-beschikking en de bijbehorende aanslag onroerende-zaakbelastingen 2012 voor een kampeerterrein. De heffingsambtenaar stelde vast dat de tenaamstelling onjuist was en vernietigde de beschikking en aanslag tijdens de beroepsprocedure, met de mededeling dat een nieuwe beschikking en aanslag zouden volgen.

De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar hiermee conform artikel 23 van Pro de Wet WOZ had gehandeld, waardoor het beroep voor zover het de beschikking en aanslag betrof niet-ontvankelijk was. Belanghebbende kon tegen de nieuwe beschikking de gebruikelijke rechtsmiddelen aanwenden.

Voor het onderdeel proceskosten was het beroep wel ontvankelijk omdat belanghebbende belang had bij het beroep. Belanghebbende vorderde vergoeding van proceskosten voor rechtsbijstand door een derde partij, maar de rechtbank stelde vast dat de gemachtigde die het bezwaar en beroep behandelde tevens de enige tekenbevoegde was van de B.V. die de rechtsbijstand verleende. Hierdoor werden belanghebbende, gemachtigde en de B.V. als één entiteit beschouwd, zodat geen sprake was van rechtsbijstand door een derde.

De rechtbank wees daarom de proceskostenvergoeding af en verklaarde het beroep voor het overige ongegrond. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.

Uitkomst: Het beroep is niet-ontvankelijk voor de vernietigde WOZ-beschikking en aanslag, en de proceskostenvergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht, enkelvoudige kamer
Zittingsplaats: Breda
Procedurenummer AWB 12/4562
uitspraak van 5 maart 2013
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen
[belanghebbende], gevestigd te [plaats X], belanghebbende,
en
de heffingsambtenaar van de gemeente [plaats X], de heffingsambtenaar.
De bestreden uitspraak op bezwaar
De uitspraak van de heffingsambtenaar van 19 juli 2012 op het bezwaar van belanghebbende tegen de beschikking waarbij de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres 1] te [plaats X] (hierna: het kampeerterrein), is gewaardeerd op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet woz) en de met die beschikking in één geschrift bekendgemaakte aanslag onroerende-zaakbelastingen 2012.
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2013.
Aldaar zijn verschenen en gehoord, namens belanghebbende, [gemachtigde], en namens de heffingsambtenaar, [gemachtigde heffingsambtenaar].
1. Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het de beschikking en de aanslag onroerende-zaakbelastingen 2012 betreft;
- verklaart het beroep voor het overige ongegrond.
2. Gronden
2.1. De heffingsambtenaar heeft naar aanleiding van het beroepschrift van belanghebbende geconcludeerd dat de tenaamstelling van de beschikking en de aanslag onjuist is. Daarop heeft de heffingsambtenaar bij brief van 14 september 2012 belanghebbende hiervan in kennis gesteld en de beschikking en de aanslag vernietigd. In dezelfde brief heeft de heffingsambtenaar te kennen gegeven dat een nieuwe voor bezwaar vatbare beschikking zal worden opgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de gemeente hiermee in overstemming met artikel 23 van Pro de Wet woz gehandeld.
2.2. Gelet op het voorgaande is de beroepsgrond ten aanzien van de beschikking en de aanslag vervallen en dient het beroep voor zover het daarop betrekking heeft niet-ontvankelijk te worden verklaard. De rechtbank merkt hierbij op dat belanghebbende bij ontvangst van de nieuwe beschikking, hiertegen de rechtsmiddelen kan aanwenden die zij geëigend acht.
2.3. Belanghebbende heeft in beroep ook om vergoeding verzocht van de door haar gemaakte proceskosten. Nu de heffingsambtenaar geen proceskostenvergoeding heeft toegekend, heeft belanghebbende met betrekking tot de proceskosten belang bij het beroep. In zoverre is het beroep ontvankelijk.
2.4. Over de proceskostenvergoeding overweegt de rechtbank het volgende. Belanghebbende is van mening dat zij recht heeft op vergoeding van de kosten in de beroepsfase gemaakt terzake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, zoals bedoeld in artikel 1, onderdeel a van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit). Belanghebbende heeft zich in de beroepsfase laten vertegenwoordigen door [BV 1]. Het bezwaarschrift is opgesteld op briefpapier van [belanghebbende]. Bezwaar- en beroepschrift zijn echter beide ondertekend door [gemachtigde]. De heffingsambtenaar heeft zich op het standpunt gesteld dat de beide stukken feitelijk door dezelfde persoon zijn ondertekend, zodat van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand geen sprake is.
2.5. De Hoge Raad heeft over het begrip ‘derde’ in artikel 1, onderdeel a van het Besluit het volgende overwogen (Hoge Raad, 8 november 2002, nr. 37 199, onder andere gepubliceerd in BNB 2003/20):
“4.2. (…) De Hoge Raad ziet geen reden om aan het begrip 'derde' in artikel 1, letter a, van het Besluit proceskosten fiscale procedures een andere betekenis te geven dan de gangbare (…) De in de Nota van toelichting bij voormeld besluit (Stcrt. 1993, 762, V-N 1994, blz. 142, punt 11) te lezen opvatting dat de 'interne juridische dienst van een ... tot dezelfde groep behorend bedrijf' niet kan worden aangemerkt als een derde in evenvermelde zin, doet - nog daargelaten wat aldaar met 'dezelfde groep' is bedoeld - aan het vorenoverwogene niet af, nu die opvatting niet tot uitdrukking is gebracht in de tekst van het besluit.
Wel kunnen bijzondere omstandigheden ertoe nopen om voor de toepassing van de evenvermelde bepaling een procederend lichaam en een ander lichaam dat rechtsbijstand verleent, met elkander te vereenzelvigen.(…)”
2.6. Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval sprake van een bijzondere omstandigheid die ertoe noopt om voor toepassing van het Besluit belanghebbende, [gemachtigde] en [BV 1] met elkaar te vereenzelvigen. [gemachtigde] is in de bezwaarfase namens belanghebbende opgetreden en heeft ook het bezwaarschrift ondertekend. Dat [gemachtigde] namens belanghebbende vervolgens een beroepschrift ingediend heeft op briefpapier van een andere B.V. waarvan [gemachtigde] ook als enige tekeningbevoegd is, maakt niet dat sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De rechtbank acht het aannemelijk dat [gemachtigde] persoonlijk namens de voornoemde B.V.’s is opgetreden. Derhalve is er geen plaats voor het vergoeden van proceskosten in de beroepsfase.
2.7. Gelet op het vorenstaande is het beroep in zoverre ongegrond verklaard.
Deze uitspraak is gedaan op 5 maart 2013 door mr. D. Hund, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. T.A. Mandemakers, griffier.
De griffier, De rechter,
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 12 maart 2013
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,
5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.