ECLI:NL:RBZWB:2013:CA3961
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring beroep tegen aanslag inkomstenbelasting en verzuimboete over 2005
Belanghebbende had bezwaar gemaakt tegen de aanslag inkomstenbelasting en een verzuimboete over het jaar 2005, waarbij zij een bedrag van €434.677 aan niet ontvangen huurpenningen wilde verrekenen. De inspecteur had het bezwaar eerst niet-ontvankelijk verklaard, maar na tussenkomst van het gerechtshof werd de zaak terugverwezen voor inhoudelijke behandeling.
Tijdens de zitting stelde de rechtbank vast dat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat zij in 2005 of voorgaande jaren een negatief resultaat uit het ter beschikking stellen van vermogen had geleden. De door haar opgevoerde huurvorderingen waren onvoldoende onderbouwd en konden niet worden toegerekend aan vennootschappen waarin zij een aanmerkelijk belang had.
De rechtbank oordeelde dat de bewijslast bij belanghebbende lag om het bestaan en de omvang van de aftrekpost aannemelijk te maken, hetgeen niet was gelukt. Ook stelde de rechtbank vast dat de inspecteur geen relevante stukken had achtergehouden. De opgelegde verzuimboete werd gehandhaafd omdat daartegen geen grieven waren geuit.
Op grond hiervan verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en zag geen aanleiding tot proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant op 28 mei 2013.
Uitkomst: Het beroep tegen de aanslag inkomstenbelasting en verzuimboete over 2005 wordt ongegrond verklaard.