Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende was in 2007 gehuwd met haar ex-echtgenoot. Voor dat jaar is door de ex-echtgenoot een aangifte inkomstenbelasting ingediend, ondertekend met digitale handtekeningen van beiden, waarin de negatieve inkomsten uit eigen woning volledig aan hem werden toegerekend. De inspecteur volgde deze aangifte bij het opleggen van de aanslag.
Belanghebbende deed later zelf aangifte en nam daarin negatieve inkomsten uit eigen woning op. De inspecteur corrigeerde deze aftrekposten en wees het bezwaar van belanghebbende af. Belanghebbende stelde dat haar ex-echtgenoot frauduleus haar digitale handtekening had gebruikt en dat de inspecteur de nadelige gevolgen hiervan moest dragen.
De rechtbank oordeelde dat de inspecteur terecht de correcties had aangebracht omdat de aangifte was ondertekend met beide digitale handtekeningen en daarmee een onderlinge verhouding was gekozen. Het risico van fraude met digitale handtekeningen ligt niet bij de inspecteur maar bij de belastingplichtige en de overheid die de DigiD beheert.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en zag geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de correctie van negatieve inkomsten uit eigen woning wordt ongegrond verklaard.