Belanghebbende en zijn echtgenote hebben in de periode 2003-2011 geld verstrekt aan de onderneming van hun zoon, zonder formele overeenkomsten of aflossingsschema’s. Later zijn schenkingscontracten opgesteld om de rekening-courantschuld te verrekenen, maar de rechtbank oordeelt dat deze verstrekkingen feitelijk leningen zijn. De onderneming verkeerde in een verlieslijdende situatie en banken wilden niet financieren, waardoor de ouders hun spaargeld en persoonlijke lening gebruikten om de zoon te ondersteunen.
De inspecteur stelde dat sprake was van schenkingen, omdat de bedragen als zodanig in de administratie stonden en schenkingsrecht was betaald. De rechtbank vond dit niet aannemelijk en stelde dat het de bedoeling was dat de gelden terugbetaald zouden worden. De rechtbank kwalificeerde de verstrekkingen als leningen, ondanks het ontbreken van formele afspraken over rente en aflossing.
Vervolgens beoordeelde de rechtbank of deze leningen gebruikelijke terbeschikkingstellingen waren. Gezien de omstandigheden, zoals het ontbreken van rente en aflossingsschema’s en de financiële situatie van de onderneming, oordeelde de rechtbank dat het ging om in het maatschappelijk verkeer ongebruikelijke terbeschikkingstellingen. Dit leidde ertoe dat een bedrag van €44.141 in mindering kon worden gebracht op het belastbaar inkomen uit werk en woning, wat resulteerde in een nihil inkomen.
De rechtbank veroordeelde de inspecteur tot vergoeding van proceskosten en het terugbetalen van het griffierecht. De uitspraak vernietigde de eerdere aanslag en beschikking heffingsrente en stelde de aanslag IB/PVV 2009 vast op nihil. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.