Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, eigenaar van een Rijksmonumentale boerderij, diende een aanvraag in voor een omgevingsvergunning voor restauratie en uitbreiding. De gemeente bracht hiervoor leges in rekening van in totaal € 13.463,20, opgebouwd uit diverse tarieven voor bouwactiviteiten, toetsing aan welstandcriteria, planologisch strijdig gebruik, monumentgerelateerde activiteiten en beoordeling van diverse onderzoeken.
Belanghebbende stelde dat slechts het tarief van € 191,80 voor monumentenpanden (onderdeel 7.3.5 van de tarieventabel) in rekening mocht worden gebracht, omdat dit een alomvattende regeling zou zijn. De rechtbank oordeelde dat dit onjuist is; onderdeel 7.3.5 vormt geen exclusieve regeling en de overige tarieven zijn aanvullend en correct toegepast.
De rechtbank vond geen schending van het zorgvuldigheidsbeginsel, rechtszekerheidsbeginsel of gelijkheidsbeginsel. De verordening was voldoende duidelijk over de verschuldigde leges en de tarieven, en er was geen sprake van feitelijk en rechtens gelijke gevallen met andere gemeenten die anders zouden heffen.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aanslag leges werd bevestigd. De rechtbank zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de legesaanslag wordt ongegrond verklaard en de aanslag bevestigd.