ECLI:NL:RBZWB:2014:1804
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H.L.L. Poeth
- Rechtspraak.nl
Hoogte gebruiksvergoeding bij voortgezet gebruik gehuurde na afloop huurovereenkomst
De zaak betreft een geschil over de hoogte van de gebruiksvergoeding voor het voortgezet gebruik van een bedrijfsruimte na afloop van de huurovereenkomst per 31 oktober 2011. Eiseres vordert betaling van achterstallige huurpenningen en een contractuele boete, stellende dat partijen een nieuwe huurovereenkomst zijn overeengekomen voor de periode van voortgezet gebruik tot 31 januari 2012.
Gedaagde betwist het bestaan van een nieuwe huurovereenkomst en stelt dat zij slechts met toestemming gebruik heeft gemaakt van de ruimte, zonder dat een nieuwe huurprijs is overeengekomen. De rechtbank stelt vast dat de primaire vordering tot betaling van huurpenningen en boete niet kan worden toegewezen vanwege het ontbreken van bewijs voor een nieuwe overeenkomst.
De rechtbank overweegt vervolgens dat op grond van artikel 6:212 BW Pro een redelijke gebruiksvergoeding verschuldigd is voor het voortgezet gebruik. Gezien de beperkingen door verbouwingswerkzaamheden en het feit dat de opvolgende huurder al werkzaamheden verrichtte, is het niet redelijk om de volledige oorspronkelijke huurprijs als vergoeding te hanteren. De gebruiksvergoeding wordt daarom vastgesteld op de helft van de laatstelijk geldende huurprijs, zijnde €5.022,99, te vermeerderen met wettelijke rente.
De vordering tot incassokosten wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van de gebruiksvergoeding en twee derde van de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van een gebruiksvergoeding van de helft van de oorspronkelijke huurprijs en twee derde van de proceskosten.