Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende had een onbeperkt voorwaarts verrekenbaar verlies van €20.056 uit ondernemingsverliezen van voor 2002. De Wet werken aan winst beperkte vanaf 1 januari 2007 de verrekening van verliezen in de tijd, waarbij verliezen geleden vóór 1 januari 2002 nog tot 1 januari 2012 verrekenbaar waren. De inspecteur nam een beschikking dat het verlies per 1 januari 2012 verviel, waartegen belanghebbende bezwaar maakte.
De rechtbank onderzocht of deze beperking in strijd was met artikel 1 en Pro 14 van de Grondwet (respectievelijk discriminatieverbod en onteigeningsverbod). Vanwege artikel 120 Grondwet Pro kon de rechtbank geen inhoudelijke toetsing van de wet verrichten. Ook stelde de rechtbank vast dat de Wet geen maatregel is ter uitvoering van Unierecht, zodat artikel 17 van Pro het EU-Handvest niet van toepassing is.
Verder stelde belanghebbende dat de inspecteur niet tijdig had geïnformeerd over de wetswijziging, wat in strijd zou zijn met het zorgvuldigheidsbeginsel en de beginselen van behoorlijk bestuur. De rechtbank oordeelde dat de inspecteur niet verplicht was iedere belastingplichtige persoonlijk te informeren, tenzij bijzondere omstandigheden aanwezig zijn, welke hier niet waren aangetoond.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de beperking in tijd van het voorwaarts verrekenbare verlies wordt ongegrond verklaard.