Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.De procedure
2.Het geschil
in conventie en in voorwaardelijke reconventie
3.De beoordeling in conventie en in voorwaardelijke reconventie
De feiten
- Maart: 1648
- April: 1602
- Mei: 1583
- Juni: 1589
bijvoorbeeldbij puntbestemmingen een commercieel tarief opgeeft. Het is een voorbeeld, dus één van de mogelijkheden. Ook wijzen de onderaannemers op onderdeel 6.2.2.5 van het Programma van Eisen waarin ook het commerciële tarief wordt genoemd. Dat een en ander mogelijk is volgt ook uit correspondentie die DVG aanvankelijk met de gemeenten c.s. heeft gevoerd. Subsidiair geldt volgens de onderaannemers dat het niet mogen verzorgen van het voor- en natransport in strijd is met de vrijheid van contracteren voor reiziger en vervoerder. Uiterst subsidiair heeft te gelden dat de beperkende regel naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Voor zover de vordering niet tegen de gemeenten c.s. kan worden toegewezen, geldt dat de onderaannemers wel recht en belang hebben bij hun vordering jegens DVG.
904,00(2 punten x tarief € 452,00)