Belanghebbende kreeg een navorderingsaanslag opgelegd voor niet opgegeven inkomsten uit beveiligingswerkzaamheden in 2007, met een vergrijpboete van 50%. De inspecteur baseerde de aanslag op een bedrag dat een BV aan beveiligingskosten had doorbelast, maar kon niet aantonen dat dit bedrag volledig aan belanghebbende was doorbetaald.
Belanghebbende erkende de werkzaamheden en inkomsten, maar stelde dat hij slechts circa € 3.000 contant had ontvangen. De rechtbank oordeelde dat noch inspecteur noch belanghebbende de exacte hoogte van de inkomsten aannemelijk hadden gemaakt. Gezien de aard en omvang van de werkzaamheden stelde de rechtbank het inkomen schattenderwijs vast op € 10.000.
De rechtbank vond dat belanghebbende grove schuld had omdat hij wist dat hij over deze inkomsten belasting moest betalen, ook zonder aangiftebiljet. Daarom werd een boete van € 700 passend geacht, lager dan de opgelegde 50% boete. De heffingsrente werd dienovereenkomstig verminderd.
Ten slotte werd de inspecteur veroordeeld tot vergoeding van de helft van de proceskosten van belanghebbende en het griffierecht. De uitspraak is gedaan door rechter W.A.P. van Roij op 18 april 2014.