Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[gedaagde],
1.De procedure
- het tussenvonnis van 19 maart 2014 en de daarin genoemde producties;
- de – abusievelijk niet in het tussenvonnnis genoemde maar wel ter rolle van 20 november 2013 genomen– akte tot overlegging producties van de zijde van Joss;
- de notities ten behoeve van comparitie van de zijde van Joss;
- de aantekeningen comparitie van partijen van de zijde van Retro c.s.;
- het proces-verbaal van comparitie van 6 juni 2014.
2.Het geschil
- voor recht wordt verklaard dat sprake is van een toerekenbare tekortkoming dan wel een onrechtmatige daad aan de zijde van Retro c.s. jegens Joss;
- Retro c.s. hoofdelijk wordt veroordeeld om aan Joss te betalen een bedrag van € 690.225,93, vermeerderd met wettelijke rente;
- Retro c.s. hoofdelijk wordt veroordeeld in de proceskosten.
3.De beoordeling
Relatiebeding
Boetebeding
NJ2013/237:
NJ2002/145, heeft A-G Wesseling-van Gent inzake het gezag van gewijsde het volgende kader gegeven: “De strekking van het gezag van gewijsde brengt mee dat partijen een eerder beslist geschilpunt niet telkens opnieuw aan de orde kunnen stellen met een beroep op nieuwe juridische en feitelijke stellingen, op grond waarvan thans anders moet worden geoordeeld. Hiervan dient wel te worden onderscheiden het geval dat de vordering wordt herhaald op een andere feitelijke grondslag, waarover de rechter zich nog niet heeft uitgelaten.” De rechtbank sluit zich hierbij aan.
NJ2013/237, r.o. 3.8). Joss dient de feiten en omstandigheden te stellen – en bij betwisting te bewijzen althans aannemelijk te maken – dat in er in het onderhavige geval sprake is van de bedoelde reële kans op succes in de hypothetische situatie.
5.160,00(2 punten × tarief € 2.580,00)