Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende maakte bezwaar tegen een aanslag inkomstenbelasting over 2012 waarbij de inspecteur een hoger belastbaar inkomen vaststelde dan door belanghebbende was aangegeven. Het geschil betrof de vraag of een bedrag van €19.869, dat door ASR was afgezonderd en op grond van derdenbeslag aan een beslaglegger was uitbetaald, tot het belastbare inkomen behoort.
Belanghebbende stelde dat hij dit bedrag nooit heeft ontvangen omdat het beslag was gelegd door justitie/FIOD. De rechtbank oordeelde dat dit bedrag, hoewel niet rechtstreeks aan belanghebbende is betaald, door hem is genoten in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001 omdat het bedrag ten behoeve van hem was afgezonderd en is gebruikt voor het aflossen van zijn schulden, waardoor sprake is van schuldvermindering.
De rechtbank merkte op dat belanghebbende niet had toegelicht om welke schuld het ging en geen bewijs had geleverd dat het bedrag als negatief inkomen of aftrekpost zou moeten worden beschouwd. De inspecteur kon ook geen nadere informatie geven. Daarom zag de rechtbank geen reden voor verlaging van de aanslag en verklaarde het beroep ongegrond.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter Beukers-van Dooren en in het openbaar uitgesproken op 6 augustus 2014.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat het bedrag via derdenbeslag betaalde pensioenuitkering terecht is belast.