Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, een oud waterschapbestuurder, ontving voor het jaar 2013 twee aanslagbiljetten met waterschapsheffingen. Hij stelde dat volgens het beleid van het waterschap alle aanslagen voor één belastingplichtige op één aanslagbiljet moeten worden verenigd, zodat controle op juistheid mogelijk is. De rechtbank stelde vast dat de bewijslast voor deze stelling bij belanghebbende lag en dat hij dit bewijs niet had geleverd.
De rechtbank onderzocht de wettelijke bepalingen uit de Waterschapswet en de Verordening watersysteemheffing waterschap Brabantse Delta 2013. Hieruit bleek dat de heffingsambtenaar wel bevoegd is, maar niet verplicht, om aanslagen voor één belastingplichtige op één aanslagbiljet te verenigen. Er was geen wettelijke of beleidsmatige verplichting die het standpunt van belanghebbende ondersteunde.
Belanghebbende voerde ook aan dat het gespreide systeem nadelig voor hem was en in strijd met het evenredigheidsbeginsel. De rechtbank oordeelde dat ook bij één aanslagbiljet de belastingplichtige de juistheid van de aanslagen moet controleren en dat het gespreide systeem niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel of andere beginselen van behoorlijk bestuur.
Gelet op het voorgaande verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en bevestigde zij de rechtsgeldigheid van de aanslagen op het tweede aanslagbiljet. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de gespreide aanslagen waterschapsheffing is ongegrond verklaard en de aanslagen zijn rechtsgeldig opgelegd.