Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Procesverloop
- het proces-verbaal van de op 2 oktober 2014 gehouden terechtzitting van de meervoudige strafkamer, waarin vermeld het namens verzoeker mondeling gedane wrakingsverzoek, gericht tegen mrs. V.M. Schotanus, C.E.M. Marsé en M.M. van ’t Nedereind, voorzitter respectievelijk leden van die meervoudige strafkamer;
- de op 8 oktober 2014 ingekomen schriftelijke reactie van genoemde leden van de meervoudige strafkamer;
- de processtukken in na te noemen strafzaak, en
- de behandeling van het wrakingsverzoek door de wrakingskamer ter zitting van 15 oktober 2014, waarbij zijn verschenen namens verzoeker zijn raadsman mr. Boone, voornoemd, mrs. Schotanus en Van ’t Nedereind, beiden voornoemd en mr. M.H.A. Paapen, officier van justitie.
2.Het verzoek
3.De feiten
“Nadat de behandeling van die zaak is afgerond, zal het onderzoek in deze zaak weer hervat worden. Het is nog onduidelijk hoe het onderzoek ter terechtzitting in de zaak van de [verzoeker] zal gaan verlopen, omdat er in die zaak een klinische observatie is geadviseerd. De kans bestaat dat het onderzoek in beide zaken om die reden pas later, na de afronding van een eventueel klinische observatie van [verzoeker], zal worden gesloten, maar dit is nog onduidelijk.”
4.Het standpunt van verzoeker
5.Het standpunt van meervoudige strafkamer
6.Het standpunt van de officier van justitie
7.De beoordeling
8.De beslissing
- wijst het verzoek tot wraking af;
- bepaalt dat de behandeling van de strafzaak met parketnummer 02-820708-13 zal worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de schorsing wegens de indiening van dit verzoek.