Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
- het op 9 januari 2014 van verzoeker in de hierna te noemen procedure ingekomen wrakingsverzoek (door hem benoemd als klachtbrief), gericht tegen mr. E.S.M. van Bergen, behandelend rechter;
- de van mr. Van Bergen ingekomen schriftelijke reactie op dit verzoek;
- de brief van 23 januari 2014, met bijlage, van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), verweerder in na te noemen procedure;
- de processtukken zoals opgenomen in het zaakdossier van die procedure, waaronder het proces-verbaal van de terechtzitting van 6 januari 2014;
- de behandeling van het wrakingsverzoek door de wrakingskamer op 30 januari 2014, waarbij zijn verschenen mr. Van Bergen en[gemachtigde], gemachtigde van het UWV. Verzoeker is niet verschenen. Aan verzoeker is een tweetal uitnodigingen voor de behandeling van zijn wrakingsverzoek naar de door hem opgegeven correspondentieadressen verzonden, welke uitnodigingen zijn geretourneerd, met de vermelding “woon niet op dit adres” en “vertrokken”. Daarnaast is herhaalde malen gepoogd verzoeker telefonisch op de hoogte te stellen van het tijdstip van behandeling van het wrakingsverzoek. Geconstateerd moet dan ook worden dat al datgene is gedaan om verzoeker in kennis te stellen van het tijdstip van de behandeling van zijn wrakingsverzoek.
2.Het verzoek
3.De feiten
4.De gronden van wraking
5.Het standpunt van de rechter
6.Het standpunt van het UWV
7.De beoordeling en de gronden daarvoor
8.Beslissing
- verklaart het verzoek niet-ontvankelijk in zijn wrakingsverzoek, voor zover gebaseerd op de hiervoor onder 4.1. vermelde gronden;
- wijst het verzoek tot wraking voor het overige af;
- bepaalt dat de behandeling van de zaak met procedurenummer BRE 13/3215 WW zal worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de schorsing wegens de indiening van dit verzoek.