Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.De procedure
- het tussenvonnis van 20 augustus 2014 en de daarin genoemde stukken;
- de brief van mr. Hulsbergen van 18 augustus 2014, met de producties 97 tot en met 127;
- de brief van mr. Hulsbergen van 18 augustus 2014, met aanvullende productie 98;
- de brief van mr. Hulsbergen van 29 augustus 2014, met akte wijziging van eis (in hoofdzaak en voorlopige voorziening);
- de pleitnota voorlopige voorziening ex art. 223 Rv Pro van mr. Hulsbergen;
- de aantekeningen ten behoeve van pleidooi in de voorlopige voorziening en comparitie van partijen in de hoofdzaak van mr. Bischot;
- het proces-verbaal van comparitie, tevens pleidooi in het incident, van 4 september 2014.
2.Het geschil in de voorlopige voorziening en in de hoofdzaak
3.De beoordeling in voorlopige voorziening en in de hoofdzaak
- Mort. per risicogroep (…)
- Mort. per chirurg
- Mort. per chirurg per risicogroep
- Aantal per risicogroep per chirurg
- Er zijn signalen over niet adequaat technisch functioneren van de heer [eiser]; de cardiologen en cardio-anesthesiologen achten het functioneren van de heer [eiser] zelfs mogelijk een risico voor de patiëntenzorg;
- Er zijn signalen over het gedrag van de heer [eiser] jegens cardiologen;
- De maatschap CTC is van mening dat de heer [eiser] in de afgelopen periode in een korte tijd te veel complicaties heeft veroorzaakt.
nietgaat om de vraag of [eiser] in 2012 calamiteiten heeft veroorzaakt. Ook is
nietinzet van dit geding of [eiser] in de betreffende casus beroepsfouten heeft gemaakt. Volgens Amphia c.s. is kern van de zaak dat cardiologen en anesthesiologen – mede naar aanleiding van deze casuïstiek in relatie tot de hoge mortaliteit en het overige gedrag van [eiser] – in verband met de patiëntveiligheid hebben geweigerd patiënten naar hem te verwijzen; in die weigering hebben Amphia c.s. aanleiding mogen zien te handelen zoals zij hebben gedaan.