Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Procesverloop
- de processtukken zoals opgenomen in het dossier van de rechtbank;
- de beschikking van rechter-commissaris mr. Woerdeman van 7 november 2014;
- het wrakingsverzoek van 7 november 2014;
- de memo van mr. Woerdeman van 18 november 2014;
- de behandeling van het wrakingsverzoek door de wrakingskamer ter zitting van 15 december 2014, waarbij zijn verschenen de gemachtigden van verzoekers, mr. G. Spong, mr. S.F.J. Smeets, mr. J.T.E. Vis (‘de gemachtigden’).
2.Het verzoek
3.Korte voorgeschiedenis en standpunt verzoekers
an sich, maar om de motiverin
gdaarvan door de rechter-commissaris. De vooringenomenheid blijkt volgens de gemachtigden van verzoekers met name uit een tweetal passages uit bovengenoemde beslissing, namelijk:
4.Overwegingen
in de huidige stand van het strafrechtelijk onderzoekzwaarder weegt dan het verdedigingsbelang. De wrakingskamer oordeelt dat uit deze overweging duidelijk blijkt dat de beslissing (en de in dat kader gemaakte belangenafweging) alleen ziet op de specifieke fase waarin het onderzoek zich ten tijde van het nemen van de beslissing bevond. De wrakingskamer volgt de stelling van verzoekers dan ook niet dat uit de uitlatingen van de rechter-commissaris een vooringenomenheid voortvloeit ten aanzien van door hem nog te nemen beslissingen in de hoofdzaak.