Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
“het geven van verpleegkundige zorg aan cliënten”.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, een zelfstandig zorgverlener werkzaam via een dochteronderneming van een toegelaten zorginstelling, kreeg voor 2014 een VAR-WUO die later door de inspecteur werd herzien in een VAR-loon. Deze herziening volgde op een controleonderzoek waaruit bleek dat de AWBZ-zorg in natura niet als zelfstandig ondernemerschap kan worden verricht, maar als dienstbetrekking.
Belanghebbende voerde aan dat zij wel als ondernemer moest worden beschouwd en beriep zich op het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel. De rechtbank oordeelde dat de werkzaamheden via de zorginstelling en de stichting werden uitgevoerd, waarbij geen ondernemersrisico werd gelopen en geen zelfstandige contracten met cliënten bestonden.
Het vertrouwensbeginsel faalde omdat de inspecteur jaarlijks de VAR kan herzien bij gewijzigde feiten. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat belanghebbende geen aannemelijk gemaakt begunstigend beleid of schending van de meerderheidsregel kon aantonen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de herziening van de VAR-WUO in een VAR-loon is ongegrond verklaard.