Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, van Poolse nationaliteit, verrichtte in 2013 gedurende enkele maanden arbeid in Nederland en keerde daarna terug naar Polen. Zij stelde dat artikel 2.6a van de Regeling Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv), dat de algemene heffingskorting tijdsevenredig vermindert bij gedeeltelijke premieplicht, discriminatoir is naar woonplaats en in strijd met het EU-vrij verkeer van werknemers.
De rechtbank oordeelt dat de juiste vergelijkingsmaatstaf niet een inwoner die het gehele jaar in Nederland woont is, maar een persoon die in dezelfde periode in Nederland werkt en daarna vertrekt. Deze persoon zou eveneens geen recht hebben op het volledige bedrag van de heffingskorting. Daarmee is er geen ongelijke behandeling.
Ook het argument dat belanghebbende in Polen niet verplicht verzekerd was en daardoor minder voordeel geniet, leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank verwijst naar eerdere jurisprudentie die aanleiding gaf tot invoering van artikel 2.6a en bevestigt dat deze regeling niet in strijd is met het gemeenschapsrecht. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard omdat geen sprake is van discriminatie op grond van woonplaats.