ECLI:NL:RBZWB:2015:3883
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering wegens kennelijk onredelijk ontslag na bedrijfseconomische opzegging
De werknemer was sinds 1977 in dienst bij de werkgever en werkte als timmerman met een salaris van €3.243,58 bruto per vier weken. In 2013 meldde hij zich ziek met knie- en beenklachten, werd gedeeltelijk arbeidsgeschikt verklaard, maar viel vervolgens weer volledig uit met rug-, nek- en schouderklachten en stress. De werkgever vroeg toestemming aan het UWV om de arbeidsovereenkomst wegens bedrijfseconomische omstandigheden op te zeggen, welke toestemming werd verleend. De arbeidsovereenkomst werd opgezegd met ingang van 1 april 2014.
De werknemer stelde dat het ontslag kennelijk onredelijk was omdat de werkgever misbruik maakte van de reorganisatie om een langdurig zieke werknemer te ontslaan en dat de gevolgen van het ontslag te ernstig waren gezien zijn leeftijd en het ontbreken van voorzieningen. De kantonrechter oordeelde dat de werkgever de arbeidsovereenkomst niet opzegde onder een valse of voorgewende reden, omdat de bedrijfseconomische omstandigheden daadwerkelijk bestonden. Tevens was het niet voorspelbaar dat de werknemer na herstel weer volledig zou uitvallen, zodat er geen sprake was van misbruik.
Ten aanzien van het gevolgencriterium stelde de kantonrechter vast dat hoewel het ontslag grote gevolgen had voor de werknemer, het belang van de werkgever bij het ontslag noodzakelijk was voor het voortbestaan van het bedrijf. Er was geen sociaal plan en geen financiële compensatie mogelijk vanwege de precaire financiële situatie. De werknemer had zijn stelling over pensioenschade onvoldoende onderbouwd. De kantonrechter concludeerde dat het ontslag niet kennelijk onredelijk was en wees de vorderingen af.
Uitkomst: De vorderingen van de werknemer wegens kennelijk onredelijk ontslag worden afgewezen.