Uitspraak
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
5.De beslissing
spreekt verdachte vrijvan het primair en subsidiair ten laste gelegde feit.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Op 12 augustus 2013 vond een aanvaring plaats tussen het motorschip LRG Gas 86 en het motorjacht [naam motorjacht] op het Kanaal door Zuid-Beveland, waarbij twee opvarenden van het motorjacht verdronken. Verdachte had kort voor de aanvaring het roer van de tanker overgenomen. De officier van justitie stelde dat verdachte hoogst onoplettend was geweest en onvoldoende uitkijk hield, waardoor de aanvaring en de fatale gevolgen ontstonden.
De verdediging voerde aan dat verdachte mocht vertrouwen op medeverdachte die het roer overdroeg en dat het motorjacht mogelijk al in de dode hoek van de tanker zat bij het overnemen van het roer. De rechtbank onderzocht de feiten, waaronder de zichtafstanden, de dode hoek en de omstandigheden van de roeroverdracht.
De rechtbank concludeerde dat niet buiten redelijke twijfel kon worden vastgesteld of verdachte het motorjacht had kunnen zien en of hij schuld had aan de aanvaring. De berekening van de dode hoek was indicatief en hield geen rekening met dynamische factoren. Verdachte werd daarom vrijgesproken van zowel het primair als subsidiair ten laste gelegde feit.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van schuld aan de aanvaring en de daaropvolgende verdrinking.