ECLI:NL:RBZWB:2015:5832
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Op tegenspraak
- Prenger
- Slot
- Pellikaan
- Rechtspraak.nl
Onbevoegdheid meervoudige kamer voor vordering tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf politierechter
In deze strafzaak vorderde de officier van justitie de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf die door de politierechter was opgelegd op 7 oktober 2013. De veroordeelde zou zich niet hebben gehouden aan de bijzondere voorwaarden, waaronder gedragsinterventie, begeleid wonen, alcohol- en drugsverbod en elektronisch toezicht.
De vordering tot tenuitvoerlegging werd op 7 juli 2015 bij de politierechter ingebracht en vervolgens verwezen naar de meervoudige kamer van de rechtbank om gelijktijdig met een andere zaak behandeld te worden. De officier van justitie stelde dat de meervoudige kamer onbevoegd was voor deze vordering, terwijl de verdediging verzocht de vordering toch in behandeling te nemen.
De rechtbank oordeelde dat op grond van artikel 14g, derde lid, Wetboek van Strafrecht en de uitleg door de Hoge Raad in het arrest van 3 mei 1994 (NJ 1994, 578), zij onbevoegd is om kennis te nemen van deze vordering tot tenuitvoerlegging. De eerdere verwijzing door de politierechter verandert hieraan niets. De rechtbank verklaarde zich daarom onbevoegd om de vordering te behandelen.
De beslissing werd uitgesproken op 28 juli 2015 door de meervoudige kamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda, waarbij mr. Prenger voorzitter was en mr. Slot en mr. Pellikaan rechters, hoewel laatstgenoemden niet konden medeondertekenen.
Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf opgelegd door de politierechter.