ECLI:NL:RBZWB:2015:5832

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
28 juli 2015
Publicatiedatum
1 september 2015
Zaaknummer
02/800446-13
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
  • Prenger
  • Slot
  • Pellikaan
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14g Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onbevoegdheid meervoudige kamer voor vordering tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf politierechter

In deze strafzaak vorderde de officier van justitie de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf die door de politierechter was opgelegd op 7 oktober 2013. De veroordeelde zou zich niet hebben gehouden aan de bijzondere voorwaarden, waaronder gedragsinterventie, begeleid wonen, alcohol- en drugsverbod en elektronisch toezicht.

De vordering tot tenuitvoerlegging werd op 7 juli 2015 bij de politierechter ingebracht en vervolgens verwezen naar de meervoudige kamer van de rechtbank om gelijktijdig met een andere zaak behandeld te worden. De officier van justitie stelde dat de meervoudige kamer onbevoegd was voor deze vordering, terwijl de verdediging verzocht de vordering toch in behandeling te nemen.

De rechtbank oordeelde dat op grond van artikel 14g, derde lid, Wetboek van Strafrecht en de uitleg door de Hoge Raad in het arrest van 3 mei 1994 (NJ 1994, 578), zij onbevoegd is om kennis te nemen van deze vordering tot tenuitvoerlegging. De eerdere verwijzing door de politierechter verandert hieraan niets. De rechtbank verklaarde zich daarom onbevoegd om de vordering te behandelen.

De beslissing werd uitgesproken op 28 juli 2015 door de meervoudige kamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda, waarbij mr. Prenger voorzitter was en mr. Slot en mr. Pellikaan rechters, hoewel laatstgenoemden niet konden medeondertekenen.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf opgelegd door de politierechter.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02/800446-13
Beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging ex artikel 14g van het wetboek van strafrecht.
In de zaak van de officier van justitie onder het hierboven genoemde parketnummer tegen
[Veroordeelde]
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,
wonende te [woonplaats] ,
gedetineerd in PI Zuid West – De Dordste Poorten te Dordrecht
heeft de officier van justitie de tenuitvoerlegging gevorderd van een aan veroordeelde opgelegde straf. Op deze vordering heeft de rechtbank de volgende beslissing gegeven.

1.De procedure.

De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:
- het vonnis van de politierechter d.d. 7 oktober 2013;
- de vordering van de officier van justitie d.d. 4 juni 2015;
- het proces-verbaal van de zitting van de politierechter d.d. 7 juli 2015;
- de overige stukken.
Tijdens het onderzoek ter terechtzitting is de officier van justitie gehoord.
Tevens is de veroordeelde gehoord, bijgestaan door zijn raadsman mr. J.C.P. van Kollenburg, advocaat te Etten-Leur.

2.De beoordeling.

Veroordeelde is bij vonnis van de politierechter van 7 oktober 2013 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 145 dagen waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar met als bijzondere voorwaarde dat veroordeelde zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Reclassering Nederland, ook als dat het volgende inhoudt:
* deelname aan de gedragsinterventie: GI-LdH CoVaplus (IQ 79-90);
* opname in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang;
* een alcohol- en drugsverbod;
* een elektronisch toezicht gedurende de eerste drie maanden van de proeftijd.
In haar vordering van 4 juni 2015 heeft de officier van justitie verzocht om voornoemde voorwaardelijke straf om te zetten nu veroordeelde zich niet heeft gehouden aan de hem opgelegde bijzondere voorwaarden. Deze vordering is op 7 juli 2015 bij de politierechter aangebracht en uiteindelijk verwezen naar de meervoudige kamer teneinde haar gelijktijdig te behandelen met de zaak tegen veroordeelde onder parketnummer [nummer] .
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de meervoudige kamer van de rechtbank onbevoegd is om kennis te nemen van de vordering tot tenuitvoerlegging.
Namens de veroordeelde is verzocht om de vordering tot tenuitvoerlegging desalniettemin in behandeling te nemen. De meervoudige kamer is formeel niet bevoegd, maar hiertegen bestaat van de zijde van de verdediging geen bezwaar.
De rechtbank stelt vast dat de onderhavige vordering een vordering tot tenuitvoerlegging betreft die is gebaseerd op de stelling dat veroordeelde zich niet zou hebben gehouden aan de hem bij vonnis van 7 oktober 2013 door de politierechter opgelegde bijzondere voorwaarden. Gelet op artikel 14g, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht en de uitleg die de Hoge Raad in zijn arrest van 3 mei 1994 (NJ 1994,578) aan dit artikel heeft gegeven, is de rechtbank van oordeel dat zij onbevoegd is om kennis te nemen van de onderhavige vordering tot tenuitvoerlegging. Het feit dat de politierechter deze zaak heeft verwezen naar de meervoudige kamer, maakt dit niet anders. Hoewel de rechtbank, gelet op de eerdere verwijzing door de politierechter, begrip heeft voor het standpunt van de verdediging, kan zij haar onbevoegdheid niet terzijde schuiven.

3.De beslissing.

De rechtbank verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van de vordering na voorwaardelijke veroordeling van de officier van justitie d.d. 4 juni 2015.
Deze beslissing is gegeven door mr. Prenger, voorzitter, mr. Slot en mr. Pellikaan rechters, in tegenwoordigheid van de griffier Boink en is uitgesproken ter openbare zitting op 28 juli 2015.
Mr. Slot en mr. Pellikaan zijn niet in de gelegenheid deze beslissing mede te ondertekenen.