Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
Kamerstukken II 1999/2000, 27 209, nr. 3, p. 6–7 (MvT)).
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende staakte in 2010 zijn onderneming en voegde de stakingswinst toe aan de herinvesteringsreserve in de aangifte inkomstenbelasting. De inspecteur legde echter een gewone aanslag op waarbij de stakingswinst volledig werd belast, wat tot bezwaar leidde.
De rechtbank stelt vast dat het pand, onderdeel van het ondernemingsvermogen, is overgegaan naar het privévermogen en dat belanghebbende een herinvesteringsvoornemen had. Op grond van artikel 3.64 Wet IB 2001 moet de stakingswinst die wordt geherinvesteerd als te conserveren inkomen worden behandeld, waarvoor een conserverende aanslag moet worden opgelegd in plaats van een gewone aanslag.
De rechtbank volgt de inspecteur niet in diens stelling dat de onttrekkingswinst niet onder artikel 3.64 valt en oordeelt dat de aanslag inkomstenbelasting moet worden verminderd met de te conserveren stakingswinst. De aanslag zorgverzekeringswet blijft ongewijzigd omdat het te conserveren inkomen wel tot het bijdrage-inkomen behoort. De rechtbank veroordeelt de inspecteur tevens in de proceskosten.
Uitkomst: De aanslag inkomstenbelasting 2010 wordt verminderd wegens ten onrechte volledig belast stakingswinst, terwijl de aanslag zorgverzekeringswet gehandhaafd blijft.