Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, erfgename van de overleden ondernemer, maakte bezwaar tegen de weigering van de inspecteur om niet-gerealiseerde zelfstandigenaftrek uit een voorgaand jaar te verrekenen in het jaar van overlijden. De inspecteur had de aanslag inkomstenbelasting 2011 opgelegd zonder deze aftrek mee te nemen, omdat de ondernemer in dat jaar niet voldeed aan het urencriterium van 1225 uur.
De rechtbank stelt vast dat de wet duidelijk voorschrijft dat niet-gerealiseerde zelfstandigenaftrek alleen kan worden verrekend in jaren waarin aan het urencriterium is voldaan. Omdat de ondernemer in het jaar van overlijden niet aan dit criterium voldeed, is de weigering van de verrekening volgens de rechtbank terecht.
Belanghebbende voerde aan dat dit onredelijk is en in strijd met het gelijkheidsbeginsel, omdat ondernemers die aan het eind van het jaar overlijden wel aan het urencriterium kunnen voldoen. De rechtbank oordeelt dat dit geen gelijke gevallen zijn en dat de wetgever binnen zijn beoordelingsvrijheid blijft door het urencriterium ook in het jaar van overlijden toe te passen.
Een beroep op de hardheidsclausule van artikel 63 AWR Pro werd afgewezen wegens onbevoegdheid van de rechtbank. Het beroep is daarom ongegrond verklaard en de rechtbank ziet geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de weigering tot verrekening van de niet-gerealiseerde zelfstandigenaftrek in het jaar van overlijden.