Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[gedaagde],
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Eiseres was sinds 2003 in dienst bij gedaagde en werkte als Business Manager. Na ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens disfunctioneren dat niet was komen vast te staan, werd eiseres een vergoeding toegekend met een correctiefactor van 1,5 vanwege schadeplichtigheid van de werkgever. Eiseres vorderde in kort geding de schorsing van het concurrentie- en relatiebeding, omdat deze haar ernstig belemmerden in haar arbeidsmogelijkheden.
De kantonrechter oordeelde dat het spoedeisend belang van eiseres voldoende aannemelijk was, omdat potentiële werkgevers terughoudend waren zolang het beding van kracht was. Gedaagde hield zich niet aan het concurrentiebeding maar wel aan het relatiebeding. De kantonrechter stelde vast dat het relatiebeding onder artikel 7:653 BW Pro valt en dat het overgangsrecht van de WWZ niet van toepassing is op deze arbeidsovereenkomst die voor 1 juli 2015 is aangegaan en geëindigd.
Gezien de schadeplichtigheid van gedaagde en de jurisprudentie werd het relatiebeding geacht te zijn vervallen. Daarom werd het concurrentiebeding voor zover nodig en het relatiebeding volledig geschorst totdat in een bodemprocedure uitspraak wordt gedaan. Gedaagde werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het concurrentiebeding voor zover nodig en het relatiebeding worden geschorst totdat in een bodemprocedure uitspraak wordt gedaan.