Eiser stelde bezwaar tegen een besluit van de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie (CVOM) inzake een administratieve sanctie. De CVOM verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat de overgelegde machtiging een digitale handtekening bevatte en daardoor onvoldoende zou zijn om de vertegenwoordigingsbevoegdheid aan te tonen.
De rechtbank oordeelt dat de machtiging, hoewel gescand en digitaal ondertekend, voldoende specifiek en rechtsgeldig is. De machtiging omvatte expliciet het voeren van bezwaar- en beroepsprocedures en het opvragen van gegevens, waaronder op grond van de Wet openbaarheid van bestuur. De CVOM had geen reden om het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren omdat er geen sprake was van verzuim.
De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, draagt de CVOM op binnen zes weken een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen en veroordeelt de CVOM tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van eiser.