Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, exploitant van een taxibedrijf, had voor de jaren 2009-2011 teruggaaf van BPM gevraagd en gekregen op basis van de taxiregeling voor vier personenauto’s. Tijdens een boekenonderzoek werd vastgesteld dat de rittenstaten gebrekkig waren en onvoldoende inzicht boden in het gebruik van de auto’s, mede doordat chauffeurs de auto’s mee naar huis namen en er geen controle was op privéritten.
De inspecteur legde een naheffingsaanslag op, die belanghebbende betwistte. De rechtbank oordeelde dat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat de auto’s voor ten minste 90% voor taxivervoer werden gebruikt, zoals vereist in artikel 16 van Pro de Wet BPM. De rittenstaten waren onvoldoende gestructureerd en vertoonden inconsistenties in kilometerregistraties.
Ook de belasting- en heffingsrente werden door de rechtbank als correct beoordeeld. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag BPM wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van minimaal 90% taxigebruik van de auto’s.