Belanghebbende is eigenaar en gebruiker van een vakantiepark met recreatiewoningen, waaronder chalets en comforthomes, en diverse voorzieningen. De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde vast en legde aanslagen onroerende-zaakbelastingen (OZB) op, waarbij het park als niet-woning werd aangemerkt.
De rechtbank moest beoordelen of het vakantiepark in hoofdzaak tot woning dient en of de aanslag gebruikersbelasting verminderd moet worden op grond van de waarde van de woondelen. De rechtbank stelde vast dat de recreatiewoningen feitelijk een woonfunctie hebben, ondanks dat permanent verblijf niet is toegestaan en het park een recreatieve bestemming heeft.
Echter, de waarde van de recreatiewoningen vertegenwoordigt niet ten minste 70% van de totale waarde van het park. Daarom kwalificeert het park als niet-woning. De aanslag eigenarenbelasting is terecht gebaseerd op het niet-woningtarief. De aanslag gebruikersbelasting moet echter worden verminderd met 31,65% van de WOZ-waarde, de waarde van de woondelen.
De rechtbank veroordeelde de heffingsambtenaar tot vergoeding van proceskosten aan belanghebbende en vernietigde het bezwaarbesluit voor zover het de aanslag gebruikersbelasting betreft. Het beroep werd verder ongegrond verklaard.