In deze zaak vordert eiser vergoeding van kosten van rechtsbijstand die hij maakte voor de behandeling van een geschil met het CBR over de ongeldigverklaring van zijn rijbewijs. Eiser sloot een rechtsbijstandsverzekering bij FBTO, uitgevoerd door gedaagde. Eiser wilde een advocaat naar eigen keuze inschakelen, maar gedaagde weigerde volledige vergoeding vanwege polisvoorwaarden die vrije advocaatkeuze beperkten.
Partijen sloten een vaststellingsovereenkomst waarbij gedaagde een vergoeding van € 1.500,- betaalde, ter beëindiging van het geschil. Eiser stelt later dat deze overeenkomst tot stand kwam onder invloed van dwaling, omdat latere jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie (7 november 2013) bevestigde dat verzekerden recht hebben op vrije advocaatkeuze en volledige vergoeding.
De rechtbank oordeelt dat de vaststellingsovereenkomst juist bedoeld was om het geschil over de vergoeding te beëindigen en dat partijen destijds op de hoogte waren van de onduidelijkheid in de rechtspraak. Een beroep op dwaling faalt omdat het geschil bestond over de vergoeding en de vaststellingsovereenkomst dit geschil afdeed. Bovendien is geen sprake van bijzondere omstandigheden die een beroep op rechtsdwaling rechtvaardigen. De vordering wordt afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.