De onderwijsstichting exploiteert schoolgebouwen en is ondernemer voor kantines en kluisjes. Zij richtte een BV op die facilitaire diensten zoals schoonmaak en onderhoud verricht tegen vergoeding. De inspecteur wees het verzoek af om een fiscale eenheid te erkennen. De rechtbank stelde vast dat de stichting ondernemer is en dat tussen stichting en BV niet-verwaarloosbare economische betrekkingen bestaan, waardoor economische verwevenheid is gegeven.
De rechtbank hoefde niet te oordelen over de ondernemerschap van de stichting voor onderwijsactiviteiten. Op grond van artikel 7, vierde lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968 werd geconcludeerd dat belanghebbenden een fiscale eenheid vormen met ingang van 23 april 2013. De inspecteur werd veroordeeld in de proceskosten en moest het griffierecht vergoeden.
De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 14 oktober 2015. Partijen kunnen binnen zes weken hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.