Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van 26 november 2015 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[Naam vergunninghouders]’, te [woonplaats Vergunninghouders], vergunninghoudster (gemachtigde[Naam gemachtigde]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Vergunninghoudster, bestaande uit twee huisartsen, vroeg vergunning voor uitbreiding van hun praktijk door een tweede bouwlaag toe te voegen aan hun pand. Verzoekers, buren van het perceel, stelden dat hun woongenot wordt aangetast door de uitbreiding vanwege verminderde lichtinval, privacyverlies en toegenomen parkeerdruk. Zij verzochten de voorzieningenrechter om de verleende vergunning te schorsen.
De voorzieningenrechter onderzocht de rechtmatigheid van het besluit en concludeerde dat het college de goothoogte correct had berekend en dat het bouwplan niet meer afwijkt van het bestemmingsplan dan door het college werd aangenomen. Wel was de ontheffing van de parkeernorm onvoldoende gemotiveerd en niet zorgvuldig voorbereid, wat naar verwachting tot vernietiging van het besluit zal leiden.
Toch weegt het belang van vergunninghoudster, die aanzienlijke financiële problemen zou ondervinden bij uitstel van de bouw, zwaarder dan het belang van verzoekers bij schorsing. Bovendien kunnen verzoekers op eigen terrein parkeren, waardoor zij geen directe overlast van extra parkeerdruk ondervinden. Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de omgevingsvergunning voor de uitbreiding is afgewezen.