Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[gedaagde sub 3],
[gedaagde 4],
[gedaagde sub 5],
1.De procedure
- de dagvaarding van 23 oktober 2015, met producties genummerd 1 tot en met 20;
- het faxbericht van 11 november 2015 van de zijde van [naam eiser] , met
- de mondelinge behandeling gehouden op 13 november 2015;
- de pleitnota van de zijde van [naam eiser] tevens houdende een wijziging
2.Het geschil
3.De beoordeling
gedeeltevan een gemeenschappelijk perceel, maar over de beschikking over zijn aandeel in het geheel. Zoals bevestigd door de Hoge Raad geldt in dit laatste geval onverkort de aan [namen gedaagden sub 3 t/m 5] toekomende bevoegdheid zoals neergelegd in artikel 3:175 BW Pro. Omdat de situatie van dat door de Hoge Raad berecht geval zich hier niet aandient, is afsplitsing van dat gedeelte van het groter geheel niet aan de orde; evenmin als een nadere individualisering van het te vervreemden perceelsdeel. Eerst in dat geval namelijk zouden de deelgenoten slechts gezamenlijk bevoegd zijn om te vervreemden, aldus de Hoge Raad in deze door [naam eiser] genoemde uitspraak.
€ 816,00
€ 816,00