Verzoekster, handelend in gebruikte auto's en exploitant van een slopersbedrijf, kreeg op 8 april 2015 een demontagecode voor een Volkswagen Polo en meldde dit voertuig via het ORAD-systeem aan. Later bleek dat het kenteken van de Polo niet correct bij de RDW was geregistreerd, waardoor de vorige eigenaar onterecht aansprakelijk bleef voor voertuigverplichtingen.
Verweerder trok daarop de erkenning bedrijfsvoorraad van verzoekster voor zes weken in wegens een categorie III overtreding. Verzoekster stelde dat het ontbreken van de registratie veroorzaakt kon zijn door een fout in het RDW-systeem en betoogde dat de sanctie willekeurig en onevenredig was.
De voorzieningenrechter oordeelde dat niet was komen vast te staan dat verzoekster de overtreding had begaan en dat de intrekking van de erkenning een punitieve sanctie is die alleen kan worden opgelegd als buiten twijfel staat dat een overtreding is begaan. Daarom was het bestreden besluit niet bevoegd genomen en werd het vernietigd. Het primaire besluit werd herroepen en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van griffierechten en proceskosten van verzoekster. De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter C.A.F. van Ginneken op 11 december 2015.