Eiser stelde beroep in tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Tilburg tot intrekking en terugvordering van zijn bijstandsuitkering op grond van het voeren van een gezamenlijke huishouding met mevrouw [naam persoon1]. De rechtbank onderzocht of aan de objectieve criteria voor een gezamenlijke huishouding was voldaan, namelijk een gezamenlijk hoofdverblijf en wederzijdse zorg.
Uit het dossier bleek dat sprake was van een gezamenlijk hoofdverblijf, aangezien mevrouw [naam persoon1] het merendeel van de tijd bij eiser verbleef en haar administratie en kleding in diens woning aanwezig waren. Echter, de rechtbank vond onvoldoende bewijs voor wederzijdse zorg. Hoewel eiser zorg verleende aan mevrouw [naam persoon1] tijdens haar ziekte, ontbrak het aan bewijs dat zij ook zorg aan hem verleende. Verklaringen over wederzijdse zorg waren tegenstrijdig en niet ondertekend door eiser.
Het college bracht ter zitting nieuwe argumenten aan over financiële betalingen tussen partijen, maar deze werden niet meegenomen wegens gebrek aan gelegenheid voor eiser om te reageren en het late tijdstip van ingebracht bewijs. De rechtbank concludeerde dat het college ten onrechte het besluit tot intrekking en terugvordering had genomen en vernietigde het bestreden besluit. Het college werd opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, het griffierecht te vergoeden en de proceskosten te betalen.