De vergunninghoudster vroeg om een omgevingsvergunning voor de bouw van een complex met 89 wooneenheden en veertien gemeenschappelijke ruimtes op een perceel waar voorheen een bedrijfsgebouw stond. Het college van burgemeester en wethouders van Breda wees de aanvraag toe, ondanks dat het project in strijd was met het geldende bestemmingsplan en de parkeernormen. Eiseres maakte bezwaar en stelde dat het college de aanvraag had moeten weigeren vanwege de overschrijding van de parkeernormen, aangezien de parkeerbehoefte hoger zou zijn dan door het college aangenomen.
De rechtbank oordeelde dat de Nota herijking parkeerbeleid 2013 als algemeen verbindend voorschrift geldt en dat het college ten onrechte heeft getoetst aan een verouderde bouwverordening. Tevens concludeerde de rechtbank dat de wooneenheden objectief als hoofdverblijf kunnen worden gebruikt door personen die geen student meer zijn, terwijl het college niet beschikt over handhavingsbevoegdheden om dit te voorkomen. Hierdoor ontbreekt voldoende waarborg dat alleen studenten de wooneenheden als hoofdverblijf gebruiken, tenzij het primaire besluit wordt aangevuld met een daartoe strekkend voorschrift.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het bestreden besluit wegens strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel (artikelen 3:2 en 7:12 Awb). Het college werd opgedragen binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen, waarbij het advies van een externe bezwaarschriftcommissie moet worden betrokken. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van eiseres tijdens de beroepsfase.