Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
€ 270.452
3.Geschil
4.Beoordeling van het geschil
5.Proceskosten
6.Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende BV was betrokken bij de ontwikkeling van een bouwproject met appartementen, waarbij zij samen met A BV een participatieovereenkomst had gesloten. De inspecteur legde naheffingsaanslagen omzetbelasting op wegens het niet voldoen van omzetbelasting over de verkoop van de appartementen en corrigeerde de voorbelasting die belanghebbende had afgetrokken.
De rechtbank oordeelt dat belanghebbende BV nooit de macht heeft verkregen om als eigenaar over de onroerende zaak of de appartementsrechten te beschikken, zodat geen levering in de zin van de Wet op de omzetbelasting 1968 heeft plaatsgevonden. De verkoop en levering van de appartementsrechten geschiedde door A BV. De participatieovereenkomst voorzag niet in inbreng van de onroerende zaak in belanghebbende BV.
Wel heeft belanghebbende BV diensten verricht op het gebied van bemiddeling bij de verkoop, maar de rechtbank acht het onredelijk om de totale opbrengst als vergoeding voor deze diensten te zien. De naheffingsaanslag voor niet-aftrekbare voorbelasting wordt bevestigd, maar de boete wordt vernietigd omdat de grondslag daarvoor is komen te vervallen. De inspecteur wordt veroordeeld in de proceskosten en moet het betaalde griffierecht vergoeden.
Uitkomst: Belanghebbende BV heeft geen levering verricht en is geen omzetbelasting verschuldigd; naheffingsaanslag voor niet-aftrekbare voorbelasting wordt bevestigd en boete vernietigd.