Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende maakte sinds 2007 deel uit van een fiscale eenheid voor de omzetbelasting die in 2013 werd ontbonden vanwege het faillissement van een andere BV binnen die eenheid. Aan de fiscale eenheid werden meerdere naheffingsaanslagen opgelegd wegens niet-betaalde omzetbelasting over diverse tijdvakken. Belanghebbende werd op grond van artikel 43 van Pro de Invorderingswet 1990 aansprakelijk gesteld voor de openstaande omzetbelastingschulden, boeten, rente en kosten.
Belanghebbende voerde aan dat de schuld was veroorzaakt door de failliete BV en dat meldingen van betalingsonmacht niet in de aansprakelijkstelling waren meegenomen. De rechtbank oordeelde dat de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de omzetbelastingschuld rechtstreeks uit de wet voortvloeit en dat voor boeten, rente en kosten alleen aansprakelijkheid kan worden aangenomen indien deze aan belanghebbende te wijten zijn.
Uit het dossier bleek dat belanghebbende als bestuurder van de failliete BV maandelijks betalingen ontving voor salaris en loonheffing, waardoor prioriteit werd gegeven aan salarisbetalingen boven belastingbetalingen. Dit maakte belanghebbende mede verantwoordelijk voor het niet voldoen van de belastingverplichtingen. De rechtbank stelde vast dat het melden van betalingsonmacht niet relevant was voor deze aansprakelijkstelling. Het beroep werd ongegrond verklaard en belanghebbende bleef aansprakelijk voor een totaalbedrag van €53.327.
Uitkomst: Belanghebbende blijft aansprakelijk voor de openstaande omzetbelastingschulden, boeten, rente en kosten van €53.327.