Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende maakte aanspraak op de alleenstaande-ouderkorting over het jaar 2012, omdat zijn kind feitelijk bij hem woonde. Volgens de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) stond het kind echter ingeschreven op het adres van de ex-echtgenote van belanghebbende.
De inspecteur corrigeerde de alleenstaande-ouderkorting bij de definitieve aanslag, waarna belanghebbende bezwaar maakte. De rechtbank oordeelt dat de wetgever bewust heeft gekozen voor een objectief criterium, namelijk de inschrijving in de GBA, als voorwaarde voor de korting. Het feitelijke verblijf is niet doorslaggevend.
De rechtbank verwijst naar een eerdere uitspraak van de Hoge Raad die bevestigt dat deze eis binnen de beoordelingsbevoegdheid van de wetgever valt. Omdat niet is voldaan aan de inschrijvingsvoorwaarde, komt belanghebbende niet in aanmerking voor de korting. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er volgt geen proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de correctie van de alleenstaande-ouderkorting wordt ongegrond verklaard.