Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil
4.Beoordeling van het geschil
5.Proceskosten
6.Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende B.V. maakte bezwaar tegen de opgelegde crisisheffing loonheffing over het tijdvak maart 2013, omdat zij meende dat deze heffing onrechtmatig was en een individuele buitensporige last vormde. De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde het beroep nadat de inspecteur het bezwaar had afgewezen.
De rechtbank stelde vast dat de crisisheffing een wettelijke grondslag heeft in de Wet op de loonbelasting 1964 en dat de Hoge Raad in eerdere arresten heeft bevestigd dat deze heffing niet in strijd is met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM, noch met artikel 14 EVRM Pro en artikel 26 IVBPR Pro. Belanghebbendes argumenten dat de heffing buiten toepassing zou moeten blijven, werden verworpen.
De rechtbank beoordeelde vervolgens of de heffing een individuele buitensporige last vormde. Hierbij werd gekeken naar de verhouding tussen de crisisheffing en de totale loonsom, de financiële positie van belanghebbende en de aankondigingstermijn van de heffing. Geconcludeerd werd dat de crisisheffing minder dan 1,5% van de totale loonsom bedroeg en dat het vermogen en de winst van belanghebbende voldoende waren om de heffing te dragen.
Daarom werd het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank legde geen proceskostenveroordeling op en wees op de mogelijkheid tot hoger beroep bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.
Uitkomst: Het beroep tegen de crisisheffing loonheffing wordt ongegrond verklaard.