Eisers voerden beroep aan tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Goirle tot het toepassen van spoedeisende bestuursdwang, waaronder het plaatsen van stempels ter ondersteuning van een horecapand en de gedeeltelijke sluiting vanwege vrijgekomen asbest. De rechtbank oordeelde dat het college onvoldoende had aangetoond dat sprake was van een constructief onveilige situatie die direct ingrijpen rechtvaardigde. Het rapport van het adviesbureau wees op een evenwichtssituatie en het college had geen aanvullend onderzoek verricht.
Ten aanzien van de asbestbesmetting was het college bevoegd tot het sluiten van het pand, gezien het gezondheidsrisico en de overschrijding van grenswaarden. Het college had echter ten onrechte de kosten van de bestuursdwang op eisers verhaald, aangezien het vrijkomen van asbest direct het gevolg was van de bestuursdwangmaatregel zelf en eisers geen verwijt kon worden gemaakt.
De rechtbank vernietigde daarom het besluit voor zover het betrekking had op het plaatsen van stempels en het kostenverhaal op eisers bij de sluiting. Het college werd veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten van eisers. Het besluit tot gedeeltelijke vrijgave van het pand werd in stand gelaten.