De zaak betreft het beroep van de werkgever tegen de weigering van het UWV om een IVA-uitkering toe te kennen aan de ex-werknemer. De ex-werknemer is sinds 2007 arbeidsongeschikt en heeft zich in 2011 toegenomen arbeidsongeschikt gemeld. Het UWV stelde de mate van arbeidsongeschiktheid vast op 80 tot 100%, maar wees een IVA-uitkering af vanwege onvoldoende onderbouwing van duurzaamheid.
De rechtbank oordeelt dat de bezwaarverzekeringsarts onvoldoende heeft onderbouwd of de behandeling gericht is op genezing, revalidatie of stabilisatie, en noemt slechts klinische opname als concrete behandelmogelijkheid. Deze opname is echter geen reële optie omdat de ex-werknemer deze weigert en het UWV dit al jarenlang accepteert. Daarnaast is er sprake van een contra-indicatie vanwege taalproblemen, waardoor opname de situatie zou verslechteren.
Gezien de langdurige klachten sinds 2007, het ontbreken van verbetering, en de leeftijd van de ex-werknemer, concludeert de rechtbank dat er geen reële kans op herstel is. Daarom wordt het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, en het primaire besluit herroepen. De ex-werknemer krijgt met ingang van 7 september 2011 recht op een IVA-uitkering. Tevens wordt het UWV veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.