Uitspraak
RECHTBANK
1.De procedure
2.Het verzoek
3.De gronden voor wraking
- Verzoekster meent dat op basis van door haar aangedragen uitvoerige argumenten sprake is van een complot tussen de Ontvanger en andere partijen met als doel om het vermogen van verzoekster weg te belasten. Naar het oordeel van verzoeksters zijn de rechters aan dit betoog ten onrechte volledig voorbijgegaan; in het vonnis is dit immers onbesproken gelaten. In verzoekster opvatting geven de rechters daarmee blijk van vooringenomenheid.
- Omdat de vordering in de hoofdzaak is gegrondvest op dezelfde achterliggende omstandigheden als waarop het verzoek ex artikel 843a Rv is gebaseerd, vreest verzoekster dat de rechters vooringenomen zullen zijn bij het wijzen van het eindvonnis in de hoofdzaak.
- Uit het vonnis in zijn geheel kan volgens verzoekster worden opgemaakt dat de rechters het door haar gestelde complot onaannemelijk achten en dat zij het om die reden niet relevant vinden om het dossier van de Ontvanger over haar en haar bestuurder [naam x] te raadplegen. Ook de redenering dat, als er een samenwerkingsverband zou bestaan, zulks nog niet direct tot de conclusie leidt dat de aan verzoekster opgelegde aanslagen onjuist zijn, ademt naar de mening van verzoekster vooringenomenheid.
- Volgens verzoekster is uit het vonnis het standpunt van de rechters ten aanzien van de hoofdzaak reeds af te leiden. Verzoekster is van oordeel dat dit duidt op vooringenomenheid, althans de schijn daarvan. Het lijkt erop dat de rechters niet kunnen geloven dat de Ontvanger bewust extreem hoge aanslagen oplegt om iemand te duperen.